In de jaren van de eerste wereldoorlog van 1914-1918, heerste in Duitsland en Oostenrijk een verschrikkelijke nood. Men vervaardigde schoenen zonder leer, maakte kleding en ondergoed van papier, bakte brood zonder meel en maakte geld uit papier, hout en porselein. Gouden en zilveren munten verdwenen als eerste slachtoffers van de oorlog. Als gevolg van zijn politieke en economische toestand was Duitsland voor de levering van voedingsmiddelen aangewezen op het neutrale buitenland. Vandaar een algemene jacht op het edele metaal. Een metaalverzamelplaats in Aken. Eigen foto. Museum Aken. Hoe langer de oorlog duurde, hoe zeldzamer het goud en zilver. Steeds hoger steeg de nood en toen uiteindelijk uit elke woning al het koper (lampen, waterkranen, deurknoppen etc.) verdwenen waren - door de regering in beslag genomen - trok de Rijksbank ook alle metalen munten in en al het metaal ging naar de “bloeiende” munitie- en wapenfabrieken.