Noodgeld

Het inflatiegeld vanaf 1923

Ter vervanging van de metalen munt bracht de regering (Rijksbank) andere munten van klei en ijzer in omloop, maar toen de nood al hoger steeg, kwam tenslotte niet anders dan papieren geld in circulatie. Dat zijn veelal de grote bankbiljetten die algemeen bekend zijn en door het Rijk uitgegeven werden. Het inflatiegeld is dus ontstaan na de eerste wereldoorlog. Daarop kwamen geen spreuken, maar de ontwerpen waren vaak nog wel fraai. De cijfers en getallen waren van verbluffende grootte. Duitsland verloor de oorlog en de nieuwe Weimarrepubliek werd verantwoordelijk gesteld voor de rentebetalingen en aflossingen van de oorlogsschulden. Na de eerste wereldoorlog (1914-1918) waar Duitsland bij betrokken was, tekende Duitsland in 1919 het vredesverdrag van Versailles en nam Duitsland de verplichting op zich om herstelbetalingen te doen welke bepaald werden op 132 miljard goudmark, plus nog 6 miljard mark speciaal voor België. De betaling mocht geschieden in termijnen van twee miljard goudmark per jaar plus 26% van de waarde van de Duitse export. Bij het bekend worden van deze cijfers reageerden de conservatieven en andere reactionaire groeperingen in Duitsland bijzonder heftig. Ook economen in andere Westerse landen waarschuwden meteen dat dit veel meer was dan Duitsland ooit zou kunnen opbrengen. Na het tekenen van het verdrag nam de inflatie sterk toe. Vanaf juli 1919 tot februari 1920 gingen de prijzen vijfmaal over de kop en in deze korte tijd waren de Duitse spaartegoeden al met meer dan 90% in waarde gedaald. Wat een behoorlijke catastrofe was.

Biljet van 1 miljoen Mark (eigen verzameling) Door Duitse marken bij te drukken werd het probleem enigszins verzacht maar dit leidde tot een forse daling van de wisselkoersen. Medio 1921 was de wisselkoers gedaald naar 330 mark voor een Amerikaanse dollar. In het najaar van 1922 staakte Duitsland de herstelbetalingen. In december 1922 kelderde de wisselkoers naar 7400 mark per dollar. Het was de Duitse regering niet gelukt om de grote sommen geld voor de herstelbetalingen bijeen te krijgen. In januari 1923 rukten Franse en Belgische troepen het Ruhrgebied binnen om op die manier druk uit te oefenen. Duitse arbeiders staakten om de indringers te dwarsbomen. Deze bezetting van het industriële hart van Duitsland gaf de stoot tot grote verbittering en tot de grootste inflatie (geldontwaarding) die een land ooit heeft gekend. Op 5 november 1923 werd er een biljet van 100 biljoen Mark uitgegeven. Aan het begin van de bezetting stond de Amerikaanse dollar op ongeveer 10.000 mark. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was de inflatie al op gang gebracht door het overmatig drukken van bankbiljetten. In de loop van de zomer van 1923 steeg de dollar tot 100.000 mark, tot 1 miljoen mark, tot 10 miljoen mark! Tegen de herfst waren 39 papierfabrieken en 1.782 drukpersen bezig met de productie van papiergeld. De dollar stond toen op 99 miljoen mark. Het ogenblik kwam waarop men 150 miljard mark voor een biertje moest neertellen!

De mensen renden, zodra ze hun salaris ontvangen hadden, naar de winkels om het geld in etenswaren om te zetten. De prijzen stegen per dag en soms zelf per uur. Tenslotte was de heksendans van de inflatie zo wild, dat de dollar op de beurs te Berlijn steeg met 613.000 mark per seconde. Meer stakingen en opstanden braken uit, als verzet tegen de regering die de vernederende vredesbepalingen had aanvaard, waardoor het land in economisch opzicht vrijwel kapot was. In het midden van november 1923 maakte de regering een einde aan de waanzin van de geldontwaarding door de koers van de dollar op 4,2 miljard papiermark vast te stellen. Er werd een nieuwe munteenheid ingevoerd, de Rentemark, die de waarde kreeg van één miljardste deel van de oude mark. Daardoor was het afgelopen met de krankzinnig grote bedragen. In de loop van 1924 verbeterden de economische omstandigheden en zo ook de politieke verhoudingen. Op 30 augustus 1924 werd de nieuwe Reichmark geïntroduceerd, de waarde was gelijk aan die van de rentenmark. In 1928 lag het reële loon pas weer op het niveau van 1913 (volgens de officiële statistieken). Einde noodgeldperiode In februari 1923 werd door de Rijkswet uitgifte van noodgeld verboden. Het is aan verzamelaars te danken dat wij nog van veel bankbiljetten uit de inflatietijd kunnen genieten.